
Dit weekend heb ik een reunie van mijn eerste studentenhuis: Levendaal 8 in Leiden. Ofwel: Sine Pro Derma. Het is een Joods studentenhuis. Dit uitte zich vooral in meedoen aan de activiteiten van de Joodse studentenvereniging Ijar, en enige betrokkenheid bij de naastgelegen synagoge. Verder natuurlijk door een aantal grappen en grollen, waarvan de meesten niet hier te herhalen zijn. Hoewel, ik kan me herinneren dat er een keertje een meisje bij me kwam eten, en toen ik zei dat het een oud Joods gebruik was om vóór het eten af te wassen, in plaats van erna (terwijl we de korsten van de borden aan het afbikken waren) begon ze erg begrijpend en geïnteresseerd te knikken. Ach, wat interessant toch allemaal. Echt? Ja echt.
Door het wonen in het Joods studentenhuis begon zich betrokkenheid met de Joodse geschiedenis te ontwikkelen. In het archief vond ik een aantekenboekje waarin stond dat in 1942 het ook in de synagoge verplicht was om een Jodenster te dragen. Wrang om iets te lezen dat een paar weken geschreven werd voordat de deportaties uit Leiden op gang kwamen. Wat zou er van de schrijver geworden zijn?
Behalve onze eigen interesse, werd soms ook de interesse in ons gewekt. Het NIW, de Mare en de EO waren met enige regelmaat geinteresseerd in de vraag "Hoe gaat dat nou in een Joods studentenhuis?". Meestal werkten we braaf mee. Want de vraag bleek vooral vaak te zijn: "Hoe is dat leven nou tussen de ruines van het Jodendom?", en dat was een vraag die we ons zelf ook wel stelden. Want die ruïnes waren natuurlijk overal.
Eén van de plekken waar ik toen een paar keer ben geweest, was het voormalig Joods weeshuis. Er is een prachtige gedenkplaat op de stoep gemaakt iets met een gedicht: "weggaan is wat anders... dan afscheid nemen, of afscheid nemen... is iets anders dan weggaan", en ik kan me herinneren dat we om de hoek keken waar een afneembaar dak gemonteerd zat, zodat de weeskinderen er in een soeka ("loofhut") konden zitten.
De laatste tijd is er nogal wat te doen rondom het voormalig weeshuis: ik heb begrepen dat een groep ontwikkelaars er iets willen bouwen, en dat de eigenaar (de gemeente) het wil verhuren aan een stichting voor verslaafdenzorg. Juridisch staat de gemeente volop in haar recht; er is een groep mensen die een moreel beroep doet op de gemeente om er van af te zien.
Maar waar is die moraliteit op gebaseerd? De ruïnes van Joods Nederland bevinden zich immers niet in steen, maar toch vooral in de familieverhalen, de gebrekkige Joodse infrastructuur en de organisaties die zich nog steeds aan het her-uitvinden zijn.
Er zijn nauwelijks functionerende synagoges in Nederland, en vrijwel alle "Joodse" huizen en fabrieken zijn nu van anderen. Dat is wrang, maar een feit. En bovendien: daarin zit niet de essentie van de Joodse ruïne. Wat vooral moet gebeuren, is dat het Joodse leven en cultuur weer opgebouwd moet worden. Voor de derde keer: die zit niet in stenen: de Haagse synagoge is een moskee, de Brielse synagoge is een ontmoetingscentrum/museum/trouwlocatie, sjoel Rapenburgerstraat een creatief centrum. Zou je overal herdenkingsplaatsen van moeten maken? Natuurlijk niet.
De eerste stap op weg naar het herinneren van een verleden, is erkennen dat het verleden bestaat. Het doel van het herinneren van het verleden is het voorkomen dat dezelfde fouten in de toekomst gemaakt worden. Niet een moreel gelijk krijgen. Het is goed dat de stad Leiden laat zien dat er op de Roodenburgestraat een Joods weeshuis gestaan heeft. Daarmee is de kous af.
Iemand die cynischer is dan ik zei me laatst "als nou de helft van het aantal mensen dat zich heeft bekommerd om de boom van Anne Frank, zich om de familie Frank had bekommerd, was het misschien heel anders afgelopen".